Geschiedenis

1404 - 1585: Gent


Aan het begin van de 15de eeuw (vóór 4 sept. 1404) verhuisden Pieter en Goessin de Clerc, zoons van hun inmiddels overleden vader Denijs, van Erondegem naar Gent. Gent was in de late Middeleeuwen een van de grootste steden van Noord-Europa en had dankzij een bloeiende textielindustrie ook een grote economische en politieke macht. De broers vestigden zich hier als roodververs (van textiel), waren tamelijk welgesteld en hadden al snel goede contacten met vooraanstaande families.

 

Goessin († 1421) kreeg één dochter, maar Pieter († 1439) werd de stamvader van een omvangrijk nageslacht. De meeste van zijn mannelijke nakomelingen in de 15de en 16de eeuw waren, in familietraditie, roodverver. Bij dit beroep hoorde tevens de handel in de lakenen. Kennelijk waren dit lucratieve ondernemingen; de familieleden waren over het algemeen rijk met aardse goederen gezegend. Vooral Jacob de Cle(e)rc (geb. na 1430 - † na 1505) verwierf een omvangrijk bezit aan huizen en bedrijfsgebouwen in de stad, alsook diverse landerijen daarbuiten. Bovendien trouwde hij met een dochter uit een familie, die ten tijde van de Gentse Opstand van 1449-1453 (tegen de Bourgondische hertogen) behoorde tot de kern van de groep die in de stad de dienst uitmaakte. In 1477 was Jacob, als schepen van gedele, zelf lid van het stadsbestuur. Ook twee neven van Jacob zijn, in 1507 en 1509, schepen van gedele geweest.

 

In de loop van de 16de eeuw groeide, onder invloed van de Renaissance, bij leden van de familie de belangstelling voor meer intellectuele thema’s. In respectievelijk 1519 en 1521 hebben twee neven zich ingeschreven aan de Universiteit van Leuven, juist in de periode dat Erasmus er doceerde. Ook zijn er aanwijzingen dat De Clercqen actief waren in enkele van de Gentse rederijkerskamers. Voorvader Lieven de Cle(e)rck (na 1505-1557/’59) trouwde in een uitgesproken intellectueel milieu. Een oom van zijn vrouw Lievyne van Houcke had in Gent een beroemde Latijnse school, waar hij jongens van aanzienlijke komaf doceerde. Bovendien werd hij hoog gewaardeerd als Neolatijns dichter. Lievyne’s broer Gillis van Houcke heeft in 1537 een wiskundig werk uitgegeven, dat in de wetenschapshistorie bekendheid geniet, ondermeer omdat het de eerste Nederlandstalige verhandeling is waarin over de algebra en het oplossen van vergelijkingen wordt gesproken en waarin de tekens + en - worden gebruikt.

 

Voormelde Lieven de Cle(e)rck was geen roodverver, maar legde zich als meersenier geheel toe op de (detail-)handel in textiel. Naast de afzet in Gent zelf, lijkt de familie echter ook betrokken te zijn geweest bij de doorvoerhandel van linnen, die gefabriceerd werd in de Leiestreek en Noord-Frankrijk, naar Antwerpen, van waar het door de daar woonachtige kooplieden werd verscheept naar vooral Engeland en Spanje. Lieven bezat in Gent diverse huizen, waaronder vier in twee van de duurste straten. Zijn echtgenote werd als weduwe gevonden op een lijst uit 1578, van circa 500 personen die met een specifieke bestemming voor bepaalde bedragen werden aangeslagen, waaruit kan worden opgemaakt dat zij werd gerekend tot de meest welgestelde burgers van de stad.

 

De meest ingrijpende ontwikkeling in de 16de eeuw was de Reformatie, de godsdienstige beweging die hervorming van de katholieke kerk voorstond. Uit deze beweging ontstond het protestantisme: een stroming in het christendom, bestaande uit verschillende nieuwe kerkgenootschappen. Behalve een religieuze tegenstelling werd de Reformatie ook een politieke en militaire strijd (Tachtigjarige Oorlog), die leidde tot de scheiding tussen de Zuidelijke Nederlanden, onder Spaans en katholiek gezag, en de calvinistische Noordelijke Nederlanden.
Sommige De Clercqen zijn in Gent de katholieke kerk trouw gebleven. Bijvoorbeeld Lieven de Clerck fs (zoon van) Pieter, die broeder was in het klooster van de Dominicanen, toen dit in 1567 door Beeldenstormers werd geplunderd; hij bleef broeder tot zijn overlijden in 1600.
Anderen binnen de familie voelden zich wel aangesproken door de hervormings­gedachten. En dit gebeurde reeds vroeg. De zusters Elisabeth (Betken) en Cathelyne (Calleken) de Clerc, geboren in Gent maar woonachtig in Leuven, werden in 1543 in deze universiteitsstad, samen met 26 anderen, gearresteerd op verdenking van Luthersche activiteiten. Uiteindelijk kwamen zij er nog vrij genadig vanaf, in tegenstelling tot hun eveneens gearresteerde tante, die levend werd begraven!
Hun neef Joos de Clerck († 1579) besloot Gent te verlaten, nadat zijn vader bij schermutselingen na de Beeldenstorm in Gent om het leven was gekomen. Hij vestigde zich in Londen, trad er in dienst van het handelshuis van zijn welgestelde neef Jan van der Hofstadt (zoon van Jooryne de Clercq) en werd lidmaat van de Nederlandse hervormde vluchtelingengemeente.
Onze voorvader Jacques de Clercq (ca 1555-1609) sloot zich niet aan bij de calvinisten, maar trad toe tot de streng vervolgde groep van doopsgezinden. En binnen deze gemeenschap speelde hij een leidende rol. Deze keuze heeft voor de familiegeschiedenis verstrekkende gevolgen gehad. In november 1584 werd Gent, nadat de stad een aantal jaren onder een calvinistisch regime had gestaan, weer ingenomen door troepen van Spaanse koning. Vier maanden later, op 17 maart 1585, waren Jacques en acht andere diakenen bijeengekomen in een huis dat aan Jacques toebehoorde. De negen werden gearresteerd en na een proces van een half jaar werden zij voor vijftig jaar verbannen uit Vlaanderen. Jacques week uit naar de Noordelijke Nederlanden, naar Haarlem. En daarmee begon de Hollandse periode in onze familiegeschiedenis.

 

N.B. Een veel uitgebreider geschiedverhaal over de vroegste generaties in Vlaanderen kan hier worden gedownload als pdf-bestand.

Roodverver in zijn werkplaats



Panorama op Gent, 1567



'Sackinge ende verdrinckinge' van doopsgezinden in Vlaanderen

Nieuws