Geschiedenis

Queekhoven
Eigendom van Mr. Jean Brand van Cabauw (1788-1847), weduwnaar van Anna de Clercq (1791-1814), van 1838 tot 1847

Het huidige herenhuis van Queekhoven (ook: Kweekhoven) is gebouwd vóór 1719, op de plaats waar eerder een ander huis had gestaan, dat in het rampjaar 1672 door Franse troepen was verwoest.

Vanaf omstreeks 1825 was de buitenplaats eigendom van de Amsterdamse koopman Hendrik Jans de Vries (1775-1838), gehuwd met Susanna van der Linden. Zij waren de schoonouders van de bekende societyschilder Jan Adam Kruseman en daarmee de grootouders van Suzanna Kruseman, die in 1850 de echtgenote werd van Stephanus de Clercq (1826-1886).

Na het overlijden van Hendrik Jans de Vries in 1838 werd Queekhoven verkocht aan Mr. Jean Brand (1788-1847), ambachtsheer van Cabauw en vrijheer van Willige Langerak, die toen al bijna een kwart eeuw weduwnaar was van Anna de Clercq (1791-1814). In de transportakte wordt de plaats omschreven als: de hofstede Kweekhoven te Breukelen St. Pieter, met derzelven woonhuizing, tuinmanswoning, koets- en wagenhuizen, schuur en verdere getimmerten, Engels plantsoen, lanen en bossen, slingerbeek, goudvissenkom, vijvers, moes- en broeituinen, boomgaard, benevens een kamp weiland en verdere bepoot- en beplantingen.

Hoe Kweekhoven er in deze jaren uitzag, zien we op de volgende afbeelding:

Queekhoven, uit de serie: 'Gezigten aan de rivier de Vecht', door P.J. Lutgers, 1836

Mr. Jean Brand was na zijn rechtenstudie in Leiden advocaat in Amsterdam geworden en vervolgens rechter in de arrondissementsrechtbank aldaar, wat hij bleef tot 1842. Hij woonde tot die tijd in Amsterdam, in het huis ‘Overijssel’ op de Prinsengracht en Kweekhoven was dus echt zijn buitenplaats. In de laatste jaren van zijn leven woonde hij echter permanent op Kweekhoven en verhuurde hij zijn woning in de stad.

Kennelijk liet zijn gezondheid te wensen over; in juni 1847 verbleef hij in de Watergeneesinrichting in de badplaats Geltschberg, bij Aucha in de Bohemen, waar hij echter is komen te overlijden.

Kweekhoven werd daarop, voor een waarde van 19.500 gulden, toebedeeld aan zijn dochter Bartholomee Hermina Brand, gehuwd met Francois Gijsbert Staetskin, baron van Brakell. Zij verkocht de buitenplaats in 1849 aan Cornelis Maurits van Eelde, zoutzieder te Utrecht.

Vanaf 1860 was Kweekhoven eigendom van Joan Adam Matthes, commissionair in effecten. Deze gaf aan P.J. Lutgers de opdracht een reeks afbeeldingen te maken van huizen, tuinen en dorpen aan de Vecht, nu in collectie van het Centraal Museum te Utrecht. Op zes van deze aquarellen is Kweekhoven afgebeeld, waarvan hieronder twee volgen:

De koepelkamer aan de achterkant van het huis, uitkomend op de tuinen, met een prieel

Gezicht op het prachtig aangelegde park van de buitenplaats

In 1880 is het uiterlijk van het herenhuis vrij ingrijpend veranderd, vooral door veranderingen aan het dak. Nog weer later is ook het interieur gewijzigd; verschillende van de vertrekken op de benedenverdieping werden opnieuw ingericht, in verschillende stijlen. De achtkantige tuinkamer of koepelzaal aan de achterzijde van het huis, met versieringen in Louis XIV stijl en een Louis XVI stucplafond werd ongemoeid gelaten.

Bekendheid kreeg Kweekhoven vanaf 1963, toen het werd verworven door de Eduard van Beinum Stichting als permanent tehuis voor het Internationaal toonkunstenaars Centrum. Tegenwoordig is het weer particulier eigendom.

Het herenhuis van Queekhoven in de huidige tijd

Literatuur:
E. Munnig Schmidt en A.J.A.M. Lisman, Plaatsen aan de Vecht en de Angstel (4de druk, Alphen a/d Rijn 1997) 106-107, 247.


Nieuws