Geschiedenis

Driemond, aan het Gein
Eigendom van Jacob de Clercq (1710-1777) van 1748 tot 1770; voordien van voorouders in vrouwelijke lijn.

Op de plaats waar later Driemond werd gebouwd, stond in de jaren dertig van de zeventiende eeuw de hofstede van Laurens Czn Schouten (1568/9-1642), een doopsgezinde brouwer te Weesp, die geldt als de rijkste inwoner van het stadje in zijn tijd. Hij was de overgrootvader van onze voormoeder Cornelia Block (1670-1745), de echtgenoot van Pieter de Clercq (1661-1730). De familie van Laurens Schouten bezat al in de zestiende eeuw landerijen in de polders rond het Gein. Op deze gronden, aan de oostzijde van het riviertje, in de buurt van de Geinbrug, had hij een landhuis laten bouwen, dat op een kaart uit 1639 wordt vermeld met de naam ‘Schoutenhof’.
Na het overlijden van Schouten werden de landerijen verdeeld onder zijn kinderen. Schoutenhof kwam toe aan zijn dochter Abigael, gehuwd met Gerbrand Anslo (1612-1643). Ook zij zijn voorouders, via een andere lijn; hun achterkleindochter Maria Bosch trouwde met Stephanus de Clercq (1747-1819). Anslo was niet alleen lakenkoper, in ‘de Kalkoensche Haan’ aan de Amsterdam Nieuwendijk, en hoofdman van de saainering in 1643. Hij moet ook een intellectueel en letterkundig begaafd man zijn geweest; zijn bibliotheek bevatte ondermeer Arabische, Perzische en Griekse boeken en handschriften, die na zijn overlijden werden aangekocht door de universiteit van Utrecht.
In 1642 liet Anslo door de bekende architect Philips Vingboons een majestueus herenhuis bouwen, dat in vele opzichten was geïnspireerd op het Mauritshuis in Den Haag. Als verwijzing naar de bouwlokatie, waar het Gein samenvloeit met de Gaasp en het Smalweesp, noemde hij zijn buiten ‘Driemond’. De hieronder afgebeelde platen geven een goede indruk van het gebouw. Zij zijn afkomstig uit het boekwerk Afbeeldsels der voornaamste Gebouwen uit alle die Philips Vingboons geordineert heeft (Amsterdam 1648)

In de toelichting bij de platen staat te lezen: Een groot quartier uyt van de Stadt Weesp, langhs ‘t Sant-pat ofte Vaert naer Amsterdam, aen de Geyn brugh, is gelegen een groote Plantagie, waer in gebouwt is dit naervolgende Huys, en wordt vertoont in drie besondere voorstellen, te weten de platte Grondt om te vertoonen alle de vertrecken en grootte van dien; en de tweede van vooren ofte de Gevel, wiens cieraten alternael van Hartsteen ofte Benthemer-steen gemaeckt sijn, en is gebouwt naer de Orde Corinthia: op ’t derde voorstel wordt vertoont het Huys van achteren, waer aen men sien kan dat het onder-keldert is: dan ick had het gaerne 2 a 3 voeten hooger gehadt, om ’t gebruyck van onder tot beter gemack te krijgen; maer hebbe daer toe niet konnen komen, alsoo de geene die ;t gebouwt heeft daer toe niet verstaen konden. Is noch wel twee voeten hooger geset als wel de eerste meyningh was, want men niet anders in ;t sin en hadt, daer maer wint hol te maekcen, en van geen gebruyck qualijck gemaeckt sijnde, sijn echter de Kelders noch toe gestelt, op soo goede manier als men konden. Is anders van veel vertrecken, die van groot gemack sijn, en oock curieus doorbouwt, en met Layen gedeckt: is begonnen Anno 1642, en voltrocken een jaer daer naer [...]

Met zijn grootse opzet en classicistische architectuur was dit huis een van de eerste van dit type in deze streken en het wordt gerekend tot de belangrijkste huizen van die tijd. Anslo heeft er zelf echter nauwelijks van kunnen genieten, omdat hij kort na het gereedkomen stierf. Zijn weduwe Abigael Schouten verkocht het vervolgens in 1647 aan de gebroeders Arnout en Hans Pelt, suikerbakkers on het Rokin.

Een halve eeuw later, van 1702 tot 1722, was Driemond weer in doopsgezinde handen, van de koopman Cornelio van Laer (1651-1721). Dat hij niet weinig trots was op zijn bezit blijk daaruit, dat hij liefst acht platen bestelde in het in 1719 verschenen boekwerk Zegepralende Vecht.

Na Van Laers overlijden in 1722 werd een inventaris opgemaakt van zijn boedel, zo ook van die op Driemond. Daarin worden de volgende vertrekken genoemd: In het vertrek, In de zijdekamer aan de linckerhand (w.o. elf schilderijen), In de zijdekamer aan de regterhand (w.o. acht schilderijen en het wapen van de overl.), In het Voorhuys (w.o. twee kaarten van de plaats, Op de saal (een schilderij en een portret, een blomstuk in de schoorsteen), Op de Mattenkamer, Int portaal voor de Matte kamer, Int groene Agterkamertje, Opt comptoir, In de bovenzijdekamer aan de Regterhand, Op de bovenzijde kamer aan de linckerhand, Op de steene kamer, Int kamertje voor de steene kamer, In de eetkaemer, In de kamer van de knegt, In de stal, Op de solder. Verder worden nog genoemd: Een klyn jagtje of een overdekte schuijt en Nog een open schuijt, genaemt de Drymont sloep

In 1748 werd Driemond voor een bedrag van 17.000 gulden gekocht door Jacob de Clercq. In de transportakte wordt deze omschreven als: een hofstede genaamd Driemont met deszelfs herenhuizing, koetshuis, twee stallen, een tuinmans- en een koetsiershuis, een speel- of tuinhuis, drie grote loodsen, twee hooibergen met de schuur daaronder en aanhorige landerijen, staande en gelegen aan de westzijde van het Gein, op de hoek tegenover de Geinbrug, en zulks met alle de fonteinen, grotwerken, kabinetten, met het lood daarop de beelden van lood en steen, vazen, pedestallen en al wat aard- en nagelvast is, mitsgaders al het tuinmansgereedschap, zitbanken, stokken, rijslatten, planken hout, turf, hooi, stro, een sloepje leggende onder de brug, de moestuin met de broeibakken en gereedschappen en mest, alsmede de twee bossen naast en achter gelegen, en nog daarbij vijf kampen land met de mestvaalt.
De totale oppervlakte was circa 16 morgen ‘weespermaat’, een kleine 16 hectare.

Jacob de Clercq was in 1759 enkele malen gastheer van de Zweedse reiziger Bengt Ferrner; hij nodigde hem daarbij ook op zijn buiten Driemond. Dankzij het bewaard gebleven dagboek van de Zweed, hebben wij een mooie beschrijving van de buitenplaats:

Het huis is groot, mooi en twee verdiepingen hoog, met een plat dak waar een galerij omheen loopt, om daar te wandelen en overdag de omliggende streken en ‘s nachts ongehinderd de pracht van den hemel te bezien. Voor het huis was een mooie fontein, die alleen 20.000 gulden gekost had. Achter het huis in den tuin was een nog grootere met een kleinen waterval. Tusschen het huis en den laatst genoemde jet d’eau was een groote vischvijver, heelemaal gemetseld; het was een groot vermaak, om daar de visschen te voeren, die in grooten getale aan kwamen zwemmen en uit dartelheid soms heelemaal uit het water sprongen. Midden in den tuin was nog een grooter vischvijver en aan het eind daarvan een kostbare menagerie; ik heb er nooit een gezien, die daarmede vergeleken kon worden, noch wat de vogels betreft, die men er daar op na hield, noch wat het gebouw zelf en de inrichting daarvan betreft. De vijver voor de zeevogels was heel sterk gemetseld in den bodem, en overal van klinkers. Hij was niet vierkant maar ovaal, met verschillende ornamenten aan de kanten. De randen ervan waren niet steil, maar zoo gemetseld dat zij met een bocht afliepen. Rondom den vijver waren zeer breede gangen en daaromheen sierlijke gebouwen, die deels dienden voor vogelkooien, deels voor de menschen om naar de dieren te kijken, kaart te spelen, te triktrakken, enz., waarvoor alles volkomen in orde op zijn plaats was. Daar waren verschillende water- en landvogels, gewone en zeldzame, als pauwen, paarlhoendren, faisanten, pikzwarte pauwiezen, wolhoenders, etc. 
Niet ver van de menagerie was een kolfbaan, en in de onderste verdieping van het groote huis, vlak voor de fontein en den vijver, was een billardzaal. Hier kon het aan genoegen niet ontbreken, vooral wanneer men in gezelschap was van den heer de Clercq en diens familie, die zich op allerlei manieren moeite gaven om ons te vermaken. De lusthof zelf, waarin het huis stond, was 630 el lang en 200 breed. Aan den zuidkant daarvan was een bijna even grooten moestuin gevuld met allerlei goede zaken, en aan den anderen kant daarvan een groot doolhof. [...] De Clercq [had] het fortuintje om het te kunnen kopen voor 16 à 17.000 gulden contant; hij heeft er later nog wel iets aan ten koste gelegd. De koopsom, die de Clercq er voor gaf, is alleen reeds betaald met het lood, dat aan de beelden en waterleidingen is. De Clercq onderhoudt jaarlijks tien personen voor dit buiten om er voor te zorgen; het jaarlijksch onderhoud ervan komt hem op ongeveer 1.000 ducaten.

Uiteindelijk bleken deze kosten ook voor Jacob te hoog; de zaken gingen minder goed dan voorheen en in 1770 veilde hij daarom de plaats.  Voorafgaand liet Jacob echter eerst diverse roerende zaken van de buitenplaats veilen, waaronder de beeldhouwwerken, de spiegeljacht en vruchtbomen. In de Amsterdamsche Courant verscheen in augustus van dat jaar een aantal malen de volgende advertentie (klik voor vergroting):

Doc_Courant_1770_-_beelden_Driemond-l.jpg

Een aantal van de beelden werd gekocht door Jacob Thuret, die de vlak bij Driemond, aan de Gaasp gelegen hofstede Reygersbroek bezat. De door Ferrner beschreven en door Jacob van Logteren de Oude gebeeldhouwde fontein, die bij de vijver achter het huis hoorde, werd gekocht door Jan Gildemeester Jansz., eigenaar van de buitenplaats Frankendael in de Watergraafsmeer. Deze plaats bestaat nog altijd en ook de fontein kan er heden ten dage worden bewonderd, vanaf de Middenweg.

De buitenplaats zelf verkocht Jacob kort daarna, voor een bedrag van 14.000 gulden, aan de heer Coenraad Laurens Nering Bögel. In de transportakte wordt de plaats omschreven als: een Hofstede, genaamd Driemond, met deszelfs modern Heerenhuysinge, hegte ende sterke Stallinge voor tien paarden, ruim koetshuis, Thuynmans en knegtswooningen, benevens daaraan gelegen landerijen, bestaande in vijf kampen, alles tezamen groot 16 morgen en 4 hond Weespermaat, van 800 roeden het morgen [...], alles gelegen bij en aan den andere aan de westzijde van het Geijn, op de hoek van de Geijnbrug. Ook deed Jacob van de hand een huysmanswooninge of Boerderij benevens deszelfs landerijen en viswaters, genaamt den Hengel, groot 8 morgen en 2 hond Weespermaant, leggende schuins over de bovengemelde Hofstede in de Gemeenschapspolder, zijnde de gemelde boerderij met omtrent 7 morgen daarbij behorende aan Cornelis Hendriksz Hol verhuurd voor een jaar, ingaande de landhuur de eerste februari en de huishuur de eerste mei 1770, en dat voor de somme van ƒ 175 in het jaar; welke huur de voornoemde koper zal moeten gestand doen.

In de negentiende eeuw is de buitenplaats Driemond gesloopt.
Tegenwoordig is een woonwijk naar het oude buiten vernoemd; zie het lemma ‘Driemond’ in Wikipedia.


Literatuur:
- K. Ottenheym, Philip Vingboons (1607-1678), architect (Zutphen 1989) 56-63, 173-174
- G
. Leonhardt, 'Een Vingboonshuis geschilderd door Hondecoeter' in: Jaarboek Amstelodamum 52 (1960) 90-96
- G.W. Kernkamp, ‘Het dagboek van Bengt Ferrner’, in: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 31 (1910) 314-509, ald. 439
-
P.M. Fischer, 'De fontein van Frankendael. Gein, Gaasp en Smalweesp aan de Middenweg', in: Ons Amsterdam 37 (1985) 42-47

Achiefbronnen:
- SAA, Oud Notarieel archief, inv.nr 8475, akte 109; not. I. Angelkot. 7 april 1722 (Inventaris van de boedel van Cornelio van Laer)
- RANH, Transportregisters Weespercarspel, inv.nr. 2966, fol. 31, 22 mei 1748 (Overdracht van Paulus van Liesvelt aan Jacob de Clercq)
-
SAA, Oud notarieel archief, inv.nr. 13218, akte 1972; not. H. de Wolff jr., 28 nov. 1770 (Machtiging van Jacob de Clercq aan zijn boekhouder tot overdracht aan Coenraad Laurens Nering Bögel)

Nieuws