Biografische schetsen

  
  

XIIIa Willem de Clercq (1795-1844) x Caroline Boissevain

Zoon van Gerrit de Clercq (XIIb) en Maria de Vos

Willem de Clercq, geb. Amsterdam 15 jan. 1795, ged. (doopsgez.) ald. 21 nov. 1813, † Amsterdam 4 febr., begr. ald. (Waalse kerk) 9 febr. 1844, tr. Amsterdam 29 juli 1818 Carolina Charlotte Boissevain, geb. Amsterdam 4 sept., ged. ald. (Waalse kerk) 19 sept. 1799, † Amsterdam 23 nov. 1879, dr. van Daniël en Johanna Maria Retemeyer.

dC_Willem_-_Couwenberg_tek-l.jpg
Boissevain_Caroline_-_Couwenberg-l.jpg

Willem de Clercq en Caroline Boissevain, door H.W. Couwenberg, 1843

Zonder twijfel is Willem de Clercq de bekendste telg van onze familie. Niet alleen heeft hij als directeur-secretaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij een belangrijke rol gespeeld in het economische leven van zijn tijd, heeft hij naam gemaakt als letterkundige en improvisator, en was hij een voorman van de christelijke Réveilbeweging. Ook zijn wij zeer goed over zijn leven en werk ingelicht, door het unieke en zeer omvangrijke dagboek dat hij vanaf 1810 tot zijn overlijden bijhield. Dit manuscript, dat inclusief de bijlagen ruim 30.000(!) bladzijden telt, wordt beschouwd als een van de belangrijkste ego-documenten van de negentiende eeuw.
Over Willem is dan ook al heel veel geschreven, zodat het volstaat om van zijn leven en werk hier slechts een beknopte beschrijving te geven.

Als jongeling bleek Willem al bijzonder begaafd. Om die reden bestemden zijn ouders hem voor het doopsgezinde Seminarium, om in de voetsporen te treden van zijn grootvader, de leraar (predikant) Willem de Vos (1738-1818). Wegens het overlijden van een neef moest hij echter op 15-jarige leeftijd op het kantoor van de familiefirma S. & P. de Clercq komen en zich wijden aan de graanhandel, voorlopig als bediende. Het waren slechte economische tijden; Nederland was onderdeel van het Franse Koninkrijk en Napoleon had in zijn oorlog met Engeland in 1806 het Continentale Stelsel ingevoerd, wat bedoeld was als handelsblokkade van de Engelsen. De maatregel bleek echter vooral nadelig voor de door Frankrijk gecontroleerde gebieden. Er was voor Willem dan ook weinig te doen op kantoor, zodat er voldoende tijd overbleef voor het volgen van lessen in de klassieke en moderne talen, natuurkunde, tekenen en de schilderkunst. ’s Zomers werd hij op reis gestuurd naar Twente, Groningen en Friesland, om daar de graanleveranciers te leren kennen. Na de Franse Tijd reisde hij in 1814 door Holland en naar Duitsland en in 1816 naar Duitsland. Hiervan heeft hij reisverslagen gemaakt, waarvan inmiddels twee in boekvorm zijn gepubliceerd.

In 1817 overleed plotseling vader Gerrit en bij het openen van de boeken bleek er een zeer ernstige situatie te bestaan. Tot zijn afgrijzen ontdekte hij dat zijn vader veel te veel van de firma had geleend, de rente niet kon voldoen en de hoofdsom nooit had kunnen terugbetalen. Bovendien had vader een veel te grote staat gevoerd en zijn boekhouding niet bijgehouden. Groot was de paniek. Even werd overwogen de familiezaak op te doeken, maar dat ging niet zomaar. De erven van Gerrit hadden een grote schuld aan de zaak en er waren meer belanghebbenden. Bovendien zou het liquideren van de oude gerenommeerde firma een schandaal veroorzaken. In 1800 werd S. & P. de Clercq nog gerekend tot de belangrijkste vier Amsterdamse huizen die handelden op de Oostzee. Na koortsachtig overleg met familieleden, die raad én krediet verstrekten, werd besloten dat grootvader Stephanus zich uit de firma zou terugtrekken en Willem, dan 23 jaar oud, hoofd der firma werd. Een broer van zijn vader, Pieter de Clercq, werd zijn associé.

Nu de zaken enigszins geregeld waren, kon Willem in juli 1818 trouwen met zijn verloofde, Caroline Boissevain. Willem was hiermee een van de eerste van de familie, die buiten de vertrouwde kring van doopsgezinde families trouwde. De Boissevains, eind 17de eeuw als Hugenoten gevlucht uit Frankrijk, waren lidmaten van de Waalse kerk. In de tweede helft van de 18de eeuw waren zij door handelsactiviteiten tot rijkdom gekomen.

Hoewel het in 1820 wat beter ging met de granen, werd Willem in dat jaar op een vreselijke manier opgelicht door twee Brabantse zakenrelaties en bleek de situatie zelfs nog ernstiger dan na het overlijden van zijn vader. Andermaal schoten familieleden met raad en leningen te hulp, waarbij Willem de te verwachten erfenissen van zijn moeder en grootouders als onderpand gaf. Na afloop noteerde Willem: ‘het geld is verloren, maar de eer is gered’.

Inmiddels had Willem met een aantal publicaties de aandacht op zich gevestigd. In 1820 schreef hij een verhandeling De Vrijheid des Handels en twee jaar later een Memorie over den Graanhandel. Vooral de laatste publicatie, eveneens een pleidooi voor de vrijhandel, dwong respect af, bij kooplieden op de beurs én bij koning Willem I. Deze liet De Clercq op audiëntie komen, om met hem te spreken over het verval van de handel in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen. Naderhand volgde druk overleg tussen Willem en de oud-minister Roëll, voorzitter van de staatscommissie die zich met de problemen van de handel bezig hield.
Door zijn verhandeling Ter beandwoording der vraag: welken invloed heeft vreemde letterkunde, inzonderheid de Italiaansche, Spaansche, Fransche en Duitsche, gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde, sints het begin der vijftiende eeuw tot op onze dagen?, die met goud werd bekroond, werd Willem in 1821 op slag beroemd in literaire kringen. Uit dit werk bleek Willems uitzonderlijke belezenheid en eruditie. Voor lange bleef het de eerste vergelijkende literatuurgeschiedenis en nog altijd wordt deze beschouwd als een standaardwerk.
Bekendheid had Willem al door een nog uitzonderlijkere gave: dat tot improviseren. Hij bleek in staat om, zonder voorbereiding, minutenlang een gedicht voor te dragen, dat hij ter plekke bedacht. Over door anderen opgegeven onderwerpen en zelfs in verschillende talen. Dit talent dwong grote bewondering af. Tot in de hoogste kringen werd hij uitgenodigd zijn improvisaties te laten horen en zelfs in buitenlandse kranten werd er over geschreven.

Om de handel en industrie te bevorderen heeft Koning Willem I in 1824 de Nederlandsche Handel-Maatschappij opgericht. Samen met tien andere Amsterdammers werd Willem de Clercq afgevaardigd naar de oprichtingsvergadering in Den Haag, waar in totaal veertig afgevaardigden uit de zuidelijke en noordelijke Nederlanden na wekenlang touwtrekken het onder hoge druk van de koning uiteindelijk eens werden over de statuten. Nadat Willem bij de koning heeft gesolliciteerd naar een betrekking bij de NHM volgde al spoedig zijn benoeming tot secretaris. Het gezin verhuisde daarop naar Den Haag en zou er tot 1831 blijven. In dat jaar werden de twee Belgische directeuren naar huis gestuurd; België had zich inmiddels afgescheiden en verkeerde in staat van oorlog met Nederlanden. Een en ander had tot gevolg dat de zetel van de NHM werd verplaatst naar Amsterdam en dat Willem de Clercq werd benoemd tot directeur-secretaris. Naast het beheer van het secretariaat kreeg Willem tot taak het bevorderen en uitbreiden van de textielnijverheid in Nederland. Met name voor de textielindustrie in Twente is hij de grote stimulator geweest, waarbij hij zich bovendien gevoelig toonde voor de sociale noden van de lokale arme bevolking.

Willems godsdienstig leven had in Den Haag een ontwikkeling doorgemaakt. De doopsgezinde en rationalistische prediking voldeed hem niet meer; hij vond dat het geloof er niet positief christelijk beleden werd. Mede door zijn steeds hechter wordende vriendschap met Isaac da Costa voelde hij zich meer en meer aangetrokken tot het orthodoxe christendom. Terug in Amsterdam besloot Willem dan ook uit de Doopsgezinde Broederschap te treden, de gemeenschap waarvan zijn familie al meer dan twee eeuwen vooraanstaande lidmaten waren. Hij ging over naar de Waalse Gemeente, waartoe ook zijn schoonfamilie behoorde.
Samen met Da Costa en figuren als Willem Bilderdijk, Abraham Capadose, Nicolaas Beets en Guillaume Groen van Prinsterer, was Willem de Clercq een der voornaamste figuren van het Réveil. Deze beweging richtte zich op het opwekken van het persoonlijk geloofsleven en op broederlijke liefde. Op staatkundig terrein heeft de beweging geen geringe invloed gehad. Ook voor allerlei concreet maatschappelijk werk is Het Réveil van belang geweest.
De Clercqs geloofsleven werd, onder invloed van de predikant Kohlbrugge, die de absolute onmacht van de mens benadrukte, steeds benauwder. Hij zette zich onverminderd in voor de NHM, bleef betrokken bij haar ontwikkeling en de economische toestand in Nederland in het algemeen. Maar op het geestelijke vlak waren zijn laatste levensjaren getekend door een grote worsteling.
Op 4 februari 1844 stierf Willem de Clercq, slechts 49 jaar oud.


Van de overvloedige literatuur over Willem de Clercq kan hier worden genoemd: - Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. III (1914), p. 236-240.
- Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme II (Kampen 1983) 124-127.
- J. Bosscha, Willem de Clercq herdacht (‘s Gravenhage 1874)  (‘niet in den handel’)
- W. de Clercq, Per karos naar St. Petersburg, reisdagboek uit het jaar 1816. Ingeleid en toegelicht door Dr. M. Elisabeth Kluit (Lochem 1962).
- W.A. de Clercq, Willem de Clercq. Woelige weken. November - December 1813 (Amsterdam1988).
- W.A. de Clercq, Graan en reizen. Willem de Clercq in 1814 (Amsterdam 1995).
- W.A. de Clercq, Willem de Clercq, 1795-1844 (Amsterdam 1999; Bataafsche Leeuw)
- I. da Costa, Herinneringen uit het leven en den omgang van Willem de Clercq, medegedeeld in de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen (Amsterdam 1850)
- O.W. Dubois, Een vriendschap in Réveilkring. De omgang tussen Isaac da Costa en Willem de Clercq (1820-1844) (Herenveen 1997)
- C.E. te Lintum, Willem de Clercq, de mensch en zijn strijd (Utrecht 1938); dissertatie
- M.H. Schenkeveld, Willem de Clercq en de literatuur (Groningen 1962); dissertatie

Links:
- De schriftelijke nalatenschap van Willem de Clercq wordt beheerd door  de Stichting Réveil-Archief en is onderdeel van de afdeling Bijzondere collecties van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam
- Vanwege het aanzienlijke historisch belang van Willems omvangrijke dagboek is een eerste deel, tot en met 1830, via elektronische afdrukken (scans) integraal op het internet gezet en aangevuld met de transcriptie van de teksten (voorlopig t/m 1822). Deze zijn beschikbaar op de website van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (www.inghist.nl)
- biografisch lemma in Wikipedia
- webpagina op de site van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL)
- zie ook vele links via “Willem de Clercq” in Google.


Uit het huwelijk van Willem en Caroline werden geboren:
1.   Gerrit de Clercq (1821-1857).
2.   Paulus de Clercq (1823-1824)
3.   Daniël de Clercq (1825-1884) x Gezina Cornelia Goudswaard
4.   Stephanus de Clercq (1826-1886) x Suzanna Kruseman
5.   Gideon Jeremias de Clercq (1828-1896) x Anne Kleinmann
6.   Margaretha Elisabeth de Clercq (1830-1908) x Adriaan Gildemeester
7.   Carel Eduard de Clercq (1832-1882)
8.   Matthijs de Clercq (1836-1859)


Nieuws